Christaphanien
Christafanieën. De re-visie van de christologie vanuit het perspectief van vrouwen in verschillende culturen.
Dit boek beoogt een bijdrage te leveren aan het feministisch-oecumenische debat over de christologie. In de beginjaren van de feministische theologie was de discussie omtrent de christologie nog een aangelegenheid van witte westerse feministische theologes.

Daar kwam in het midden van de jaren tachtig verandering in. Vrouwen uit de zogenaamde derde wereld en later ook zwarte vrouwen uit Noord-Amerika namen het woord en uitten kritiek op het eurocentrische karakter van de westerse feministische theologie. Vanuit hun persoonlijke, religieus-culturele en politiek-maatschappelijke context presenteerden zij eigen christologische ontwerpen waarin hun ervaringen van racisme, kolonialisme, seksisme en armoede een belangrijke rol speelden.

In dit boek laat ik een aantal van deze feministisch-christologische modellen de revue passeren. Daarbij zijn het met name de contextuele verschillen en de daarmee verbonden verscheidenheid aan ervaringen en beelden van onheil en heil die als hermeneutische uitdaging voor de feministisch-oecumenische revisie van de christologie naar voren worden gebracht. De erachter liggende gedachte is dat het niet langer mogelijk is om particuliere heilservaringen ten koste van "de anderen" te verabsoluteren. Een dergelijke visie is onmogelijk, zo wordt betoogd, wanneer men onderlinge verschillen en de daarmee verbonden kritische blik van "de ander" in het christologische spreken serieus neemt. Eigen particuliere voorstellingen van heil en onheil worden zodoende aan een permanente zelfkritiek onderworpen, in de hoop ten slotte alleen datgene als messiaans te erkennen, wat aan het goede leven voor allen bijdraagt.

 

Ondanks het feit dat vrouwenervaringen en de reflectie daarop van begin af aan de blikrichting van feministische theologes bepaalden, kon ik mij niet aan de indruk onttrekken dat hun christologische zoektocht sterk aan het "erfgoed van de vaderen" schatplichtig bleef. Ik verdiepte mij in de christologische discussie, zoals die in de afgelopen twee eeuwen binnen de (voornamelijk Europese) theologie is gevoerd om meer zicht te krijgen op continuïteit en breuk tussen de traditionele en de feministisch-christologische benadering. Als één van de overeenkomsten viel mij het latente anti-judaïsme op dat met beide Jezus-interpretaties verbonden is. Nagenoeg zonder argwaan hadden feministische theologes de regels van het dogmatisch-christologische spel van de "vaderen" overgenomen. Net als zij zochten feministische theologes het fundament voor hun christelijke identiteit in het verleden, in het "nieuwe" dat Jezus belichaamde in tegenstelling tot het "oude" patriarchale van het jodendom. Het van de theologische vaders geërfde anti-judaïsme bleek onlosmakelijk verbonden met de manier waarop christelijke identiteit moest worden vormgegeven, namelijk afgebakend van "de ander". Deze analyse resulteert in de stelling, dat - wil men anti-judaïsme bij de feministische revisie van christologie vermijden -, een breuk met de traditionele bepaling van christelijke identiteit noodzakelijk is.

Mede door dit inzicht raakte ik ervan overtuigd dat de feministische revisie van de christologie - wil zij niet alleen maar een variatie in het bestaande dogmatische spel zijn - verbonden moet worden met een revisie van haar kentheoretische uitgangspunten. Drie nauw met elkaar samenhangende thema's worden in dit verband nader uitgewerkt. Het eerste heeft te maken met het totstandkomen van christelijke identiteit. Ik pleit voor een relationele opvatting van christelijke identiteit, een opvatting die niet langer van een vaststaande, maar juist van een veranderlijke identiteit uitgaat. Een dusdanig bewegelijke opvatting van identiteit zoekt haar fundament niet langer in het verleden, maar in een nog te realiseren toekomst. Voor de christologie betekent dit dat niet langer de persoon van Jezus en de hem omringende Jezusbeweging alslegitimatie van christelijke identiteit moeten functioneren, maar dat de bijbelse verhalen die over de visioenen van deze beweging vertellen, terinspiratie dienen om op zoek te gaan naar een nog nader te benoemen christelijke identiteit.

 

Het tweede thema betreft de titel van dit boek Christafanieën - christaverschijningen - en de daarmee verbonden zoektocht naar messiaanse verhalen en voorstellingen in het alledaagse leven van vrouwen. "Christafanieën" onderstreept de noodzaak van een seksespecifieke benoeming van hetgeen vrouwen in de verschillende contexten als heil en onheil, als onderdrukking en bevrijding ervaren. Naast de nodige argwaan ten aanzien van patriarchale heilsconcepten in de christelijke traditie, nodigt "christafanieën" in het kader van een "hermeneutiek van de creatieve actualisering" op een speelse en scheppende manier tot messiaanse "verbeelding" uit. Daarbij wordt gewezen op de voortgaande openbaring Gods in de geschiedenis en op de overtuiging dat ook vrouwen - net als mannen geschapen als imago dei - als representantes van Gods heil op de voorgrond kunnen treden, zoals dat ook in verschillende van de in deze studie behandelde christologische ontwerpen het geval is. Wederom is het de verscheidenheid aan heilsverwachtingen en -voorstellingen van christelijke vrouwen in verschillende culturen die in "christafanieën" op de voorgrond staat. Om te voorkomen opnieuw specifieke voorstellingen van heil te verabsoluteren, is de ontmoeting van vrouwen en de communicatie over contextuele ervaringen van heil en onheil een noodzaak. Niet in van meet af aan geponeerde waarheidsaanspraken, maar in de interactie, in de ontmoeting met andersoortige ervaringen liggen momenten van goddelijke openbaring en mogelijkheden voor een inhoudelijke bepaling van de Christusinterpretatie. Daarbij - en hiermee kom ik bij het derde thema - is het niet de logica van hetzelfde en het streven naar een theoretische harmonie, maar de praktische "dissonantie", die het op eenheid gefixeerde denkpatroon openbreekt en nieuwe mogelijkheden voor een relatiegerichte manier van kennen schept. Onderlinge verschillen vruchtbaar maken, het "andere van de ander" erkennen en tegelijk de mondiale bevrijding van vrouwen niet uit het oog verliezen, vraagt om een opnieuw doordenken van de verhouding van particulariteit en universaliteit. Het derde thema is op deze problematiek gericht en reikt het concept van een interactieve universaliteit aan.

 

Eén van de gevolgen van deze overwegingen is dat het hart van de christologie niet meer louter in een herinterpretatie van de persoon en het werk van Jezus ligt. De vraag wat heil, bevrijding en verlossing in continuïteit en breuk met de christelijke traditie betekenen, verschuift naar het centrum. Christologie is dan niet langer de zoveelste variatie in het spel om de "historische Jezus" en de "kerkelijke Christus", maar wordt opgevat als een ruimte waarin plaats is voor verhalen van mensen die met elkaar op zoek zijn naar antwoorden op de vraag, wat onheil en heil van Godswege vandaag betekenen voor mensen in al hun verscheidenheid. Een dusdanig christologisch zoekontwerp vraagt om een relationeel identiteitsconcept waarin de onderlinge verschillen niet als bedreigend, maar als verrijkend worden beschouwd. De negatieve afbakening ten opzichte van de ander wordt doorbroken. Zij maakt plaats voor een intersubjectieve zoektocht naar heil, naar het goede leven voor allen. Niet het geloof in Jezus, maar het geloof van Jezus staat daarbij op de voorgrond.

 

Het boek is ingedeeld in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk I geeft een historisch overzicht van de zoektocht naar de historische Jezus gedurende de laatste twee eeuwen. Het hoofdstuk bestaat uit drie delen.

In het eerste deel ga ik in op de "Leben-Jesu-Forschung" van de negentiende eeuw. Met behulp van Albert Schweitzer's beroemde werkGeschichte der Leben-Jesu-Forschung worden de ontwikkeling en het uiteindelijke falen beschreven van de poging het leven van Jezus historisch te reconstrueren. Schweitzer heeft laten zien dat deze zogenaamde historische beschrijvingen van het leven van Jezus uiteindelijk moderne projecties van de betreffende auteurs zelf waren.

 

In het tweede deel staat de ontwikkeling van de christologische discussie na de eerste wereldoorlog centraal. Na de mislukking van de Leben-Jesu-Forschung kwam alle nadruk te liggen op de Christus van het geloof. Deze overaccentuering had tot gevolg dat de vraag naar de historische Jezus in de jaren vijftig van de twintigste eeuw opnieuw opkwam. De vertegenwoordigers van de zogenaamde "New Quest" sloegen een nieuwe weg in, beïnvloed door de ontwikkelingen op hermeneutisch gebied. Voor hen was de historische Jezus onlosmakelijk verbonden met de kerygmatische Christus, wat tot uitdrukking kwam in hun motto: "De gekruisigde is de opgestane". Tot slot ga ik nog kort in op de nieuwste queeste naar de historische Jezus die opnieuw de vraag aan de orde stelt: Wie was Jezus werkelijk? Als een daarbinnen interessante ontdekking wordt nader op de Sofia-christologie ingegaan.

 

In het laatste deel staat de vraag naar de historische Jezus vanuit bevrijdingstheologisch perspectief op de voorgrond, die in het begin van de jaren zeventig opkwam. Het daar ontstane beeld van Jezus als de bevrijder van de onderdrukten is in de bevrijdingstheologisch georiënteerde feministisch-christologische modellen terug te vinden. Tegen de achtergrond van de emancipatiebewegingen in de jaren zestig en de ontwikkeling van de politieke en bevrijdingstheologische hermeneutiek wordt uitvoerig op het christologische ontwerp van de Noord-Amerikaanse zwarte theoloog James Cone ingegaan. Te midden van de strijd tegen racisme zoekt hij naar de heilsbetekenis van Jezus en komt hij tot het christologisch concept van de zwarte Christus. In hoofdstuk III. 6 zal duidelijk worden dat Cone's christologisch ontwerp sterke invloed op womanistische christologische concepten heeft gehad.

 

In Hoofdstuk II gaat het om de christologie vanuit feministisch perspectief. Het begint met een inleiding op de eerste ontwikkelingen in de feministische theologie en de opkomende discussie over de christologie onder Noord-Amerikaanse en Europese feministische theologes. Er wordt nader ingegaan op het verwijt van anti-judaïsme dat door joodse vrouwen aan het adres van de feministische herinterpretatie van Jezus werd gericht. Geconstateerd wordt dat dit anti-judaïsme een erfenis is van de theologische "vaders" die de christelijke identiteit vorm hebben gegeven tegenover het jodendom. Feministische theologes hebben deze contrasterende bepaling van christelijke identiteit overgenomen; dit wordt met behulp van een voorbeeld nader toegelicht. Vervolgens komen de christologische modellen van de katholieke theologe Rosemary Radford Ruether en de anglicaanse theologe Carter Heyward, beiden Noord-Amerikaans, uitvoerig aan de orde. Vanuit feministisch-bevrijdingstheologisch perspectief zoeken beiden in breuk en continuïteit met de christelijke traditie naar een christologie die een dualistisch-hiërarchisch denkschema van "wij en de anderen" overstijgt. Hierdoor plaatsen zij vraagtekens bij de epistemologische grondslag van de traditionele christologie en gaan zij verder dan alleen een herinterpretatie van Jezus binnen het gangbare referentiekader.

 

In Hoofdstuk III worden christologische modellen van Afrikaanse, Aziatische en Afrikaans-Amerikaanse (womanistische) theologes besproken. De eerste drie zijn afkomstig van derde wereld-theologes, die bij het (vrouwen)netwerk van de "Ecumenical Association of Third World Theologians" (EATWOT) zijn aangesloten: Mercy Amba Oduyoye (Ghana), Virginia Fabella (Filippijnen) en Chung Hyun Kyung (Zuid-Korea). In het vierde christologische model gaat het om de christologische visie van "womanistische" theologes uit Noord-Amerika. Met behulp van deze verschillende christologische concepten wordt een beeld geschetst van datgene wat vrouwen in hun desbetreffende context als onheil en heil, als onderdrukking en bevrijding ervaren. De onderlinge samenhang van de verschillende onderdrukkingsvormen op grond van ras, huidskleur, cultuur, sekse, klasse, etc. wordt belicht, evenals de daarmee verbonden consequenties voor hun visie op christologie.

 

In Hoofdstuk IV wordt eerst aandacht besteed aan de overeenkomsten die in de behandelde christologische modellen zichtbaar worden. Vervolgens ligt de nadruk op de onderlinge verschillen en de gevolgen die hieruit voor de conceptie van de christologie voortvloeien. Drie met elkaar verweven thema's die mijns inziens voor de feministisch-christologische revisie van belang zijn en al in de voorafgaande hoofdstukken kort aan de orde kwamen, worden verder uitgewerkt.

 

Het eerste thema betreft het zoeken naar een relationele inter-subjectieve christelijke identiteit die het contrasterende denken van de "vaderen" afzweert en die onderlinge verschillen niet als bedreigend, maar als verrijkend voor de eigen identiteit beschouwt.

 

Het tweede thema heeft betrekking op "christafanieën". Dit woord waarvan de betekenis nader wordt omschreven, onderstreept de noodzaak, om bij de feministische re-visie van de christologie naar creatieve "vrouwenbewuste" verhalen en verbeeldingen te speuren waarin de contextuele verscheidenheid aan ervaringen van onheil en heil voor vrouwen in verleden en heden tot uitdrukking komt. Op de daaraan verbonden theologische consequenties wordt nader ingegaan.

 

Het derde thema tenslotte betreft de vraag naar de verhouding van particulariteit en universaliteit. Er wordt een pleidooi voor een op ontmoeting gebaseerde interactieve universaliteit gehouden die het "andere van de ander" erkent en de daarmee verbonden onderlinge verschillen en dissonanten tot uitgangspunt van de gemeenschappelijke reflectie en het gezamenlijke handelen maakt.

 

Bekijk hier de fulltext van Christafanieën

primi sui motori con e-max

Contact

DSTS / Project W!J
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam

Secretariaat:
mw Heleen Ransijn:

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
+31 (0)20-6235 721