‘Leer denken in veelvoud, in: VolZin 18 (2006), 18-20.

Dogmatische scherpslijperij over juiste Godsbeeld is achterhoedegevecht 

Door de eeuwen heen hebben mensen aan ‘het geheim’ vele namen gegeven. De opkomst van het beeld van de onpersoonlijke God is goed nieuws. Het is een teken dat de christelijke traditie, ook op het westelijk halfrond, niet dood is. Vierde aflevering in de reeks ‘God als persoon’.

Op één punt ben ik het met Eric Corsius (VolZin, 19 mei) grondig eens: God mag niet voor iemands karretje worden gespannen. Maar daarmee houden de overeenkomsten tussen zijn visie en de mijne ook weer op. In zijn ogen maken ‘ietsisten’ en andere liberaal christelijke of new-ageachtige boosdoeners God tot een onpersoonlijke “ding-god” – een potentieel “monster dat gevoelloos is voor het bloed, het zweet en de tranen van mensen”. Ik ben het met Ria van den Brandt eens dat dit een absurde karikatuur is van wat daadwerkelijk achter de pogingen schuilt om het geheim van het bestaan in deze tijd opnieuw te benoemen. Vandaar dat ik een niet-persoonsgebonden godsbeeld zal verdedigen, maar meer nog zal pleiten voor een veelvoud aan beelden in onze omgang met het diepste geheim.

Levende traditie

Corsius vergeet in zijn betoog een cruciaal punt, namelijk dat traditie – ook de christelijke – leeft bij de gratie van verandering. Beelden en begrippen uit een traditie zijn aan transformatie onderhevig. En als ze dat niet meer zijn, is die traditie dood. Dan is het christelijk geloof niet langer in staat mensen in hun dagelijks leven te raken. Dan kan het geen bron van inspiratie meer zijn, kan het ontroeren noch laten schrikken. Een religieuze traditie is alleen dan levend wanneer mensen er eigentijdse interpretaties aan geven, eigen woorden, eigen beelden, eigen rituelen. In die zin is de onpersoonlijke God goed nieuws: de christelijke traditie is ook op het westelijk halfrond niet dood – er worden nieuwe godsbeelden aan de oude toegevoegd. Dit laatste is voor mij essentieel. Het gaat niet om het vervangen van ‘oude’ godsbeelden. Er komen nieuwe bij. En dat is niet alleen een postmodern modeverschijnsel, zoals Eric Corsius ons wil doen geloven. Door de eeuwen heen hebben mensen aan ‘het geheim’ vele namen gegeven. Reeds de Bijbel getuigt van deze verscheidenheid. Je vindt er omschrijvingen van God als persoon, maar het verhaal van de levende God wordt net zo goed met behulp van niet-persoonsgebonden beelden verteld. Een vuur dat in de nacht de weg wijst, een wolk die overdag voor je uittrekt, de wind onder je vleugels die je laat vliegen.

Zorgzame macht

Voor mij is deze levende God geen persoon, ook niet in de symbolische zin. Uiteraard liggen hier, zoals bij iedereen, ook biografische redenen aan ten grondslag. Ik groeide op in een klein dorpje in de buurt van Hannover. Mijn ouders werkten in onze winkel – een kruidenierszaak die zij in het jaar dat ik geboren werd, hadden overgenomen van twee zussen: tante Else en tante Meta. Deze twee gingen met pensioen en kregen een nieuwe levenstaak: het zorgen voor een kind. Als de winkel open was, ‘logeerde’ ik bij hen. Zij genoten ervan om op latere leeftijd nog een kind ‘te hebben’ en ik heb veel aan hen te danken. Mijn manier van geloven en de daarmee verbonden voorstelling van God is door hen gevormd, vooral door tante Meta. Zij was mijn lievelingstante. Een wijze gelovige vrouw, vroom en nuchter tegelijk. Elke zondag ging zij naar de kerk, maar haar geloof was niet dogmatisch. Zij vertrouwde op God als de goede macht in haar leven. Vlak voordat zij overleed - zij was toen 95 jaar - heb ik samen met haar voor haar rouwadvertentie een tekst uit het bijbelboek Job gekozen: “Leven en levenskracht heb jij in mij gelegd en jouw zorg heeft mijn adem behoed.” Deze tekst was heel toepasselijk op haar geloof in God als de zorgzame en ondersteunende kracht in haar leven, in goede en slechte tijden. Zij heeft mij geleerd dat het vertrouwen op deze God heel waardevol is; een groot goed dat je moet koesteren in leven en sterven.
Deze God waarin mijn tante geloofde, was geen ‘ding-god’. Het was geen gevoelloos monster dat niet in staat was haar tranen te drogen. Integendeel, het was een zorgzame en liefdevolle God, waarmee zij een zeer persoonlijke relatie onderhield. Alleen was het geheim dat deze God belichaamde voor haar groter en dieper dan de dogmatische gedachte dat ‘Hij’ een persoon moet zijn.

God de HEER

Later in mijn studie theologie kwam ik opnieuw in aanraking met God als een transcendente werkelijkheid die niet in één beeld vast te leggen valt. Het was de tijd van de feministisch-theologische beeldenstorm. Velen van mijn medestudentes namen afscheid van het klassieke godsbeeld van God de Vader, beïnvloed door het inzicht van de Noord-Amerikaanse theologe en filosofe Mary Daly: als God mannelijk is, is het 2mannelijke God. Haar vlijmscherpe analyse van het patriarchale karakter van de christelijke theologie en het daarmee verbonden eenzijdig mannelijke beeld van God als Vader en Heer was een openbaring voor veel vrouwen. Al die eeuwen hadden mannen gedefinieerd wie God wel of niet was. God als persoon was een ‘Hij’, gevormd naar het beeld van mannen. God was voor het karretje van patriarchaal machtsvertoon gespannen, dat vrouwen als imago dei buitensloot. Het resultaat van dit voor veel vrouwen onthutsende inzicht, leidde tot een massale zoektocht naar nieuwe beelden voor God. Deze keer vanuit het perspectief van vrouwen. Vaak waren deze beelden vormloos. God was niet langer een persoon, maar werd als bron van het leven, grond van het bestaan, als heilige wijsheid of als kracht in relatie omschreven. Soms werden ook bewust vrouwelijke beelden voor God gebruikt: vriendin, moeder, schepster, maar het merendeel van deze beelden was onpersoonlijk.

Infantiel of niet, het beeld van God als Vader en Heer gooit nog steeds hoge ogen, zoals recentelijk uit de discussie over de vertaling van de godsnaam in de Nieuwe Bijbelvertaling bleek. Breed verzet tegen dit eenzijdig mannelijke en feodale godsbeeld mocht niet baten. Ook steekhoudende bijbels-theologische argumenten tegen de exclusieve vertaling van JHWH met HEER konden de verantwoordelijken niet van deze stap weerhouden. God blijft in de Nederlandstalige Bijbel een persoon, een HEER – een menselijke fictie van God die tot een gesneden beeld is verstard, ondanks het bijbelse beeldverbod. Maar is zo’n persoonlijke God, die tot een Gouden Kalf is geworden, omdat men er geen afstand meer van kan of wil nemen, niet eveneens een ‘dinggod’?

Laat ik het zo zeggen: uiteindelijk kan elk godsbeeld, persoonlijk of onpersoonlijk, door mensen worden misbruikt. Juist om dit te voorkomen is het zo belangrijk vele beelden van God naast elkaar te laten bestaan. Want alleen dan weet je: geen enkel beeld van God is ook daadwerkelijk God. God is altijd anders dan de beelden en de namen die wij aan dit geheim geven. Het gaat ons verstand en ons voorstellingsvermogen te boven. Voor mij onderstrepen juist die beelden van God die niet persoonsgebonden zijn dit inzicht. Mede daarom ben ik gehecht aan de wijze waarop de lutherse theoloog Paul Tillich (1886-1965) God omschrijft: als de grond van ons bestaan, als het geheim van het diepste van ons leven. God gaat niet op in deze wereld, maar is de dragende grond van alles wat bestaat. God is in de wereld, maar valt er niet mee samen. God is een transcendente immanentie, een onmogelijke mogelijkheid.

Veelvoud

God als persoon is een beeld onder vele. Net als de wereld waarin wij leven is ook het geheim van deze wereld niet eenduidig en eendimensionaal. Niets of niemand, ook de godsdienst niet, heeft de waarheid in pacht of het monopolie op het benoemen van God. God is er in vele gedaantes. De acceptatie van dit gegeven is in een land waar verschillende geloofsovertuigingen vreedzaam met elkaar willen samenleven een must. In het verhaal van Eric Corsius is geen ruimte voor deze verscheidenheid. Zijn reeds door Ria van den Brandt bekritiseerde ‘of/of logica’ maakt het onmogelijk onderlinge verschillen in de verbeelding van God als verrijkend te zien. Zijn God staat tegenover die van ‘de ietsisten’, klaar om met hen op de vuist te gaan. Deze strijd om: ‘wie heeft het juiste godsbeeld?’ is in mijn ogen een achterhoedegevecht. Zinniger lijkt mij de vraag: hoe kunnen wij geïnspireerd door verschillende levens- en geloofsovertuigingen gezamenlijk vorm geven aan het goede leven voor allen? Ook dit is de vraag naar ‘God’, alleen meer op de dagelijkse werkelijkheid gericht dan op dogmatische scherpslijperij. Het leren denken in veelvoud – in ‘en/en’ in de plaats van ‘of/of’ – lijkt mij een van de uitdagingen waarvoor we staan. Zowel voor ons geloof in God als in mensen.


Bron: VolZin, opinieblad voor geloof en samenleving, 13, 30 juni 2006, 5, pag. 18-20.

primi sui motori con e-max

Contact

DSTS / Project W!J
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam

Secretariaat:
mw Heleen Ransijn:

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
+31 (0)20-6235 721