Verschenen in : Identiteit in beweging: Essays en verhalen over schoolontwikkeling.
Uitgave © CPS Onderwijsontwikkeling en advies, april 2012.


Het religieuze landschap van Nederland verandert in rap tempo. Aan het begin van de twintigste eeuw was bijna elke Nederlander lid van een kerkelijke gemeenschap; maar twee procent van de bevolking behoorde niet tot een kerk. Anno 2012 noemt meer dan zestig procent van de Nederlanders zich buitenkerkelijk.

 

Per jaar verlaten zo’n 80.000 mensen de kerken. Als deze trend doorzet, gaat de laatste kerkdeur in het jaar 2030 definitief op slot, meent godsdienstsocioloog Gerard Dekker. Zelfs al zal het zo’n vaart niet lopen, de tendens is duidelijk: de moderne mondige burger keert kerkelijke instituten de rug toe en wil zich niet langer laten voorschrijven hoe en wat hij of zij moet geloven. Dit alles is overigens niet alleen een Nederlands verschijnsel;ook in de ons omringende landen is deze ontwikkeling gaande. Het is interessant dat de ontkerkelijking die sociologen voorspelden inderdaad heeft plaatsgevonden. Hun prognose, dat met de voortschrijdende welvaart en technologische ontwikkelingen ook religie als geheel (zelfs wereldwijd) zou verdwijnen, is echter niet uitgekomen.


Religie(s)
Op wereldniveau is religie booming business. De geseculariseerde landen binnen Europa zijn kleine eilanden, omgeven door een oceaan van religies. Het christendom gaat voorop met 2 miljard aanhangers, gevolgd door de islam met 1,3 miljard volgelingen en het hindoeïsme met 800 miljoen. Het onderzoeksinstituut World Christian Trends gaat ervan uit dat er in 2050 meer dan 3 miljard christenen, circa 2,2 miljard moslims, 1,1 miljard  Hindoestanen, 425 miljoen boeddhisten en 16,5 miljoen joden zullen zijn.
En zelfs in de geseculariseerde landen is religie springlevend, alleen is ze hier van gedaante veranderd. Uit het onderzoek God in Nederland (2007) blijkt dat zestig procent van de ondervraagden zichzelf weliswaar gelovig noemt, maar slechts vier van de tien personen bedoelen daarmee het traditionele geloof. De andere zes stellen hun eigen religieuze levensvisie samen uit de wijsheid van verschillende levensbeschouwelijke tradities. Driekwart van de geïnterviewden denkt dat de ‘ongebonden spirituelen’, zoals zij in het onderzoek worden genoemd, gelijk hebben: de religie van de toekomst zal de weg van de religieuze bricolage gaan.


Vloeibaar geloven
De ‘nieuwe gelovige’ is niet meer in de bestaande categorieën traditionele kerkgangers onder te brengen. Dogma’s en leergezag spelen voor hen nauwelijks nog een rol. Zij maken plaats voor individuele afwegingen over de oriëntatie die de verschillende religieuze tradities kunnen bieden in het leven van alledag. Men is het erover eens dat waarheid niet van buitenaf kan worden opgelegd maar op innerlijke ervaring moet berusten. De voeding die daarvoor nodig is, haalt de religieuze enkeling niet langer uit één bepaalde levensbeschouwelijke traditie, maar uit meerdere tegelijk. Een stevig gelovig fundament, dat je van de wieg tot het graf begeleidt, maakt plaats voor het principe panta rei, alles vloeit. Je leven is onderhevig aan continue veranderingen en keuzemomenten. Dat wat gisteren nog als overtuiging vaststond, is vandaag al weer aan twijfel onderhevig. Je leven blijkt een puzzel die gaandeweg vorm en inhoud krijgt door wat je tegenkomt. Religie wordt in deze levenshouding als open en dynamisch opgevat. Ze krijgt een persoonlijke tint, is niet institutioneel verankerd maar pragmatisch veranderlijk.

Transculturele identiteiten
Niet alleen secularisering en individualisering hebben Nederland in religieus
opzicht diverser gemaakt. Ook de globalisering en de daarmee verbonden migratie hebben het religieuze landschap van Nederland ingrijpend veranderd. In het van origine christelijke Nederland wonen inmiddels 800.000 moslims, 800.000 migrantenchristenen, 250.000 boeddhisten, 120.000 Hindoestanen en 45.000 joden. Zij allen brachten hun eigen cultuur en geloof mee naar Nederland. Vooral in de Randstad bepaalt de religieuze en culturele verscheidenheid het straatbeeld. Met behulp van de nieuwste communicatie- en transportmiddelen zijn migranten in staat meervoudige identiteiten te ontwikkelen en te onderhouden. Zij ontwikkelen een identiteit in hun nieuwe thuisland maar houden met behulp van de nieuwe media ook contact met hun land van herkomst.
En er ontstaan liefdesrelaties tussen mensen met verschillende culturele en religieuze achtergronden. Annet de Groot en Frénk van der Linden hebben voorbeelden hiervan in hun boek Let’s make love gebundeld. Hierin komen 27 biculturele en bireligieuze paren aan het woord over de problemen en kansen van multiculturele relaties. Zo is er het verhaal van Susan en Yahya. Zij is een Deense jodin, hij is een moslim uit Marokko. Ze hebben elkaar leren kennen bij een mimeopleiding in Amsterdam. Net als bij de andere
paren, die een van buitenaf gezien onmogelijke liefde leven, was het ook bij Susan en Yahya vooral ‘de groep’ (bekenden, familie, vrienden) die het voor de geliefden moeilijk maakte. Ze moesten niet alleen leren om met hun verschillen op persoonlijk vlak om te gaan, maar kregen ook nog de zeer problematische situatie in het Midden-Oosten op hun bord. Ze zijn echter niet bereid hun liefde vanwege het joods-Palestijnse conflict op te geven. Met behulp van hun mimevoorstellingen die zij voor kinderen geven, proberen zij het denken in vriend en vijand te verminderen. Hun dochter hebben zij een Arabisch-joodse naam gegeven: Blume Yamina. Voor hen is zij een teken van hoop te midden van een hopeloze oorlog. Zij willen hun kind bicultureel en bireligieus opvoeden en het beste van beide tradities aan haar doorgeven. Een bijdrage aan de vrede tussen de volkeren, onder het motto ‘de joslims komen’!

Scholen van de toekomst

Secularisering, individualisering en globalisering hebben heel Europa, maar vooral ook Nederland, in de laatste decennia ingrijpend veranderd. Het land bestaat inmiddels uit burgers met verschillende culturele en religieuze achtergronden en multiculturele en multireligieuze identiteiten. Het moderne cultuurconcept dat op de leest van (nationale) eenheid is geschoeid (één godsdienst, één taal, één territorium) is door een nieuwe werkelijkheid ingehaald. Hoe begrijpelijk het verlangen naar ‘toen alles
nog duidelijk en overzichtelijk was’ van de oude Nederlander ook is, de tijd kan niet worden teruggedraaid. De kinderen van de nieuwe Nederlanders zullen onze toekomst medebepalen. Alleen al daarom is het belangrijk om van de school voor alle kinderen een plaats te maken, waarin zij hun talenten kunnen ontwikkelen en vaardigheden kunnen leren die hen helpen hun weg te vinden. En zo zal ook een van de laatste nog verzuilde bolwerken – het onderwijs – niet aan een transformatie ontkomen.

Hoeveel identiteitsbegeleiders men er ook op zal zetten om de ‘k’ of de ‘p’ of de ‘c’ in het onderwijs weer terug te vinden, het zal geen duurzame resultaten opleveren als zij door de bril van een vervlogen verleden naar de toekomst proberen te kijken. Ook het onderwijs zal zich in een religieus en cultureel divers geworden Nederland opnieuw moeten uitvinden. Het zal kinderen op een inspirerende, deskundige en verantwoordelijke manier moeten voorbereiden op hun leven te midden van de boven omschreven religieuze en culturele diversiteit van de 21ste eeuw. De vraag of een verbindend of exclusief identiteitsconcept ten aanzien van religie wordt gehanteerd en welke visie op traditie men aanhangt, zal de richting van het onderwijsbeleid bepalen. De nu volgende mijmering is bedoeld als een aanzet tot deze discussie.

“Traditie is niet de aanbidding van de as, maar het doorgeven van het vuur.”  Aan deze uitspraak van de componist Gustav Mahler heb ik vaak moeten denken als ik lezingen hield voor identiteitsbegeleiders, schooldirecteuren en leerkrachten over de veranderingen in Nederland ten aanzien van religieuze identiteit. Bij mijn toehoorders bespeurde ik een grote verlegenheid in de omgang met hun religieuze traditie. Hoe moet je vandaag invulling geven aan de ‘c’ van de school? Hoe ver kan en moet ik daarin gaan? Er was
een beroepsmatige onzekerheid voelbaar, die voornamelijk persoonlijke oorzaken had. “Waar sta ik eigenlijk zelf wat het geloof betreft?”, vroeg menigeen zich af. “Welke religieuze veranderingen hebben in mijn eigen leven plaatsgevonden?” “Hoor ik misschien zelf al lang bij de ‘ongebonden spirituelen’, die wat richting en waarde geeft in hun leven uit verschillende levensbeschouwelijke bronnen putten?” Het was vaak een hele opluchting als bleek dat de twijfel en de onzekerheid over wat nu eigenlijk de christelijke
identiteit van hun school moest zijn geen persoonlijk probleem of falen was, maar precies in het tijdsbeeld van een Nederland in de 21ste eeuw past.

Traditie is geen statisch gegeven. Ze leeft bij de gratie van vernieuwing. Dat betekent dat de overlevering van de christelijke traditie niet alleen vraagt om continuïteit, om een herinterpretatie van het oude. Er zijn ook breuken nodig, zodat er ruimte komt voor iets nieuws, voor eigentijdse ervaringen waarin benoemd wordt wat richting en waarde geeft aan het dagelijks leven. Pas in die spanning van breuk en continuïteit ontstaat ruimte voor de verbinding van oud en nieuw. Er is een ‘tussenruimte’ nodig, waarin het verleden zijn controlerende en behoudende functie verliest en weer inspirerend in plaats van legitimerend kan worden. Zo ontstaat er ruimte voor een re-visie van waarden, waarbij het vertrekpunt in het hier en nu ligt en elementen uit de eigen, maar ook uit andere levensbeschouwelijke tradities als richtinggevend kunnen worden (her)ontdekt.
Een voorbeeld hiervan is het Handvest voor compassie (Armstrong, 2011).
Vanuit de behoefte nieuwe interlevensbeschouwelijke verbondenheid te creëren als een antwoord op de wereldwijd aanwezige, soms religieus gemotiveerde conflicten, heeft de Britse schrijfster Karen Armstrong compassie tot de kern van moreel handelen en van religie gemaakt. Compassie is als kernwaarde in alle levensbeschouwingen aanwezig.

"Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet."

In de joodse traditie is er een regel die de wet en de profeten (de hele Thora) in één zin samenvat. Eén zin die van geslacht op geslacht is doorgegeven, die iedereen kan begrijpen en die je elke keer weer nieuw leven kunt inblazen:
de zogenaamde Gulden Regel: “Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet.” Het is ethiek die aan de bergrede van Jezus ten grondslag ligt. Maar deze regel is niet alleen maar in de Bijbel te vinden. Ze is ook in andere religies en levensbeschouwelijke stromingen aanwezig.
Zo luidt ze in de islam: “Niemand van u is een gelovige voordat hij zijn broeder toewenst wat hij voor zichzelf wenst.” En als wij ‘broeder’ inclusief lezen en ervan uitgaan dat je ook je zuster alleen maar toewenst wat je voor jezelf wilt, dan wordt het wegkijken bij elementaire schendingen van mensenrechten een moeilijke aangelegenheid.

En de Hindoestanen zeggen:
“Men moet zich tegenover anderen niet gedragen op een manier die ons onaangenaam zou zijn. Dit is het wezen van plicht (dharma). Al het overige komt voort uit zelfzuchtige verlangens.” En bij de indianen klinkt de Gulden Regel zo: “Grote Geest, geef dat ik mijn buurman niet beoordeel vóór ik een mijl in zijn mocassins heb gelopen.”

Toen het Handvest voor compassie op 12 november 2009 in Nederland, in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam, werd gelanceerd zei Herman Wijffels:
“We staan voor een volgende beschavingsopdracht. Na de fase van werken aan emancipatie, het ontwikkelen van de individualiteit, gaat het nu om het verbinden van individualiteit, met verantwoordelijkheid nemen voor het geheel. Compassie is daarvoor een onmisbaar ingrediënt.”

Geldt deze door Wijffels aangemoedigde zoektocht naar een ‘nieuw wij’ niet ook voor het onderwijs? Wordt het geen tijd om niet alleen in het onderwijs zelf, maar ook op beleidsniveau een denken in veelvoud in te oefenen? Wordt het geen tijd de wij/zij-tegenstellingen in onze samenleving te helpen overbruggen door ook in religieus opzicht niet langer in of/of te denken, maar in en/en? Wordt het niet ook in het onderwijs tijd om de inmiddels voor veel leraren beknellende christelijke zuil te verlaten en de ‘tussenruimte van verbinding’ in te stappen, met het oog op de toekomst van onze kinderen die in een wereld vol verschillen hun weg moeten vinden? Eerlijk gezegd denk ik niet dat deze vragen nog met ja of nee te beantwoorden zijn, behalve als men graag een achterhoedegevecht wil voeren. Traditie zet je niet voort door de as te aanbidden, zoals Mahler zo mooi zei, maar door het vuur door te geven aan een volgende generatie. Een generatie die via het internet en de nieuwe media voor volstrekt nieuwe uitdagingen komt te staan. Ook op levensbeschouwelijk gebied.

Soms is voor het bewaren van het christelijke erfgoed juist een breuk met de bestaande structuren nodig, omdat een vlam alleen maar kan blijven branden als ze steeds van nieuwe zuurstof wordt voorzien.
primi sui motori con e-max

Contact

DSTS / Project W!J
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam

Secretariaat:
mw Heleen Ransijn:

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
+31 (0)20-6235 721