Misstanden en extremen krijgen onvermijdelijk aandacht in de media, zegt Alja Tollefsen, pastoor in drie oud-katholieke parochies.
Over de mensen die een normaal leven leiden hoor je volgens haar meestal niets. In de berichtgeving over moslims geldt hetzelfde en dat geeft westerlingen een vertekend beeld. „Daardoor denken we bij de sharia al snel aan het afhakken van dievenhanden.”

En zo kon het gebeuren dat Groot-Brittannië vorig jaar op zijn kop stond toen de pers meldde dat aartsbisschop Rowan Williams de sharia wilde invoeren.
Het hoofd van de anglicaanse kerk zei later dat zijn uitspraken uit hun verband waren gerukt.
Tollefsen: „Hij vond het zinvol om islamitische regelgeving rond echtscheiding te incorporeren in de Britse wetgeving.
Die staat daar niet haaks op.” Volgen met de sharia lijfstraffen niet vanzelf? „Te ver gezocht”, zegt Tollefsen. „Daar zijn we zelf bij.”

Dé sharia, dé islam; dat is te generaliserend naar de smaak van Manuela Kalsky, directeur van het Dominicaans Studiecentrum in Nijmegen.
Het is natuurlijk lastig, zegt ze, om in communicatie steeds te nuanceren, maar anders ontstaan stereotypen die het begrip niet bevorderen.
De islam is volgens Kalsky net als het christendom een pluriforme religie met veel verschillende stromingen.

Kalsky weet als hoofdredacteur van de interreligieuze website nieuwwij.nl dat het in de journalistiek schipperen is met tijd en geld. Maar het liefst leest ze gedegen artikelen waarin het onderwerp zelf aan het woord komt. „Ik wil weten hoe moslims denken vanuit hun eigen cultuur, niet hoe wij met onze westerse blik naar hen kijken.”
En ze wil cijfers zien, iets waar ook Alja Tollefsen naar snakt: „Waarom dragen moslima’s die hoofddoek, hoeveel van hen doen dit uit vrije wil en hoeveel onder druk van hun familie?” Ook zij begrijpt dat het de journalist vaak aan tijd ontbreekt, maar doortimmerde verslaggeving is noodzakelijk. „Anders ga je de mist in.”

Dat gebeurt regelmatig, ontdekte Tollefsen de keren dat ze de krant opensloeg en een artikel over zichzelf las. Toen ze tot priester gewijd werd in de oud-katholieke kerk kwam een landelijke krant het ritueel verslaan. Het team werd gevraagd niet te filmen tijdens de communie. „’Wat is dat?’, vroegen ze.
In de krant stond vervolgens niet dat ik was ’gewijd’ maar ’ingewijd’. En ik was ’priesteres’. Ik dacht: Jongens, jullie waren niet bij de druïden.”
Het is voor Tollefsen reden om te twijfelen aan berichtgeving van die krant over zaken die ze niet kan beoordelen, zoals de islam. Of ze iets tegen religie hebben of niet, journalisten moeten zich erin verdiepen, vindt Tollefsen. „Religie is een deel van de samenleving. Bericht hierover goed of helemaal niet.”

Onlangs publiceerde Trouw een serie artikelen over moslims in de Amsterdamse wijk Slotervaart. De serie schetst geen rooskleurig beeld. „Als dat de conclusie is na grondig onderzoek, dan moet je het publiceren”, meent Kalsky. „Maar wel goed onderbouwd. En maak als lezer niet de fout de personen uit de artikelen te vergelijken met je moslimburen. Niemand is gelijk.”

Alja Tollefsen ziet eveneens een zwakke plek bij de lezers. Die kunnen bij gebrek aan kennis verkeerde conclusies trekken. Genuanceerde artikelen, zegt ze, kunnen echter ook compassie en begrip opwekken.
Vooralsnog ergert Manuela Kalsky zich eraan dat autochtoon Nederland niet kritisch is op zichzelf. „Steeds weer zet het een statische, ondemocratische en vrouwonvriendelijke islam tegenover een dynamische, democratische vrouw- en homovriendelijke westerse maatschappij.”
Ze wijst op de vrouwenemancipatie. In Turkije is volgens Kalsky 25 procent van de hoogleraren vrouw, in Nederland hooguit 10 procent. „Wees kritisch naar beide kanten”, zegt ze. „En heb het niet alleen over de sluiers van moslima’s.”
We meten met twee maten, vindt Alja Tollefsen. „Als autochtone meiden in korte rok en met diep decolleté rondlopen, noemen we dat vrijheid. Ik denk dat ze dit evengoed onder sociale druk doen als moslima’s die een hoofddoek dragen.”
Berichtgeving zou dus in balans moeten zijn, maar uit onderzoek blijkt dat Europese media een wij-zijtegenstelling creëren, zegt Kalsky. Hoe objectief een journalist ook probeert te zijn, subjectiviteit begint al bij de keus voor de geïnterviewden en de vragen die hij stelt. Daarmee stuurt hij de berichtgeving. „Dat hangt samen met je eigen wensen, angsten en waarneming. Als je denkt dat moslims het Westen onder de voet lopen, zal je daar iets aan willen doen.”

De vraag is hoeveel zelfinzicht de journalist heeft. „Een goede journalist is argwanend, tegenover geïnterviewden én zichzelf.” Met haar eigen vooroordelen werd Kalsky onlangs nog geconfronteerd in Beiroet. Ze gaf er een lezing over de interreligieuze dialoog tussen moslims en christenen.
Toen een grote man in een ’prachtig’ pak op haar af kwam lopen, een ’James Bond-type’, stak ze haar hand uit. Hij boog voor haar en zei dat hij vrouwen geen hand gaf.
„Het voelde raar. Ik realiseerde me dat ik bij zo’n voorval iemand in een lang gewaad verwacht, zoals de imam die Rita Verdonk geen hand gaf.”
Maar waarom zou iedereen haar begroeten zoals zij dat zelf gewend is, vroeg Kalsky zich af. „In Nederland zijn we daarover in een kramp geschoten.”

Beiden vinden dat de berichtgeving over religie langzaam verbetert. Alja Tollefsen denkt dat de media niet bewust hetzes veroorzaken, en proberen het nieuws zo eerlijk mogelijk te verslaan.
Religie is weer actueel, meent Manuela Kalsky. Maar het is oppassen dat ’je niet te snel in clichés trapt’. „Meisjesbesnijdenis heeft bijvoorbeeld niets met de islam te maken. Het gaat om zorgvuldigheid, en om de vraag: doe je mee aan ’wij en zij’ of wil je laten zien hoe samenleven soms wel en soms niet lukt?”
primi sui motori con e-max

Contact

DSTS / Project W!J
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam

Secretariaat:
mw Heleen Ransijn:

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
+31 (0)20-6235 721