Dames en heren,


Kent u het boek Het leven van Pi? … Het vertelt het ongelooflijke verhaal van de zestienjarige jongen Piscine Patel, genaamd Pi, wiens vader een dierentuin in India heeft. Wanneer de familie besluit om naar Canada te emigreren, wordt ook een groot gedeelte van de dierentuin ingescheept. Maar het schip vergaat en de enige overlevenden zijn Pi, een zebra, een hyena en ‘Richard Parker’, een Bengaalse tijger van pakweg 200 kilo. 227 dagen dobberen zij met elkaar in een reddingssloep op de Grote Oceaan. En uiteraard gebeurt er dan van alles.

Het leven van Pi
Maar dat moet u in dit prachtige boek van Yann Martel zelf maar lezen, want mij gaat het vanmiddag niet om de fantastische avonturen die Pi op die boot beleefde, maar om de periode in zijn leven die eraan vooraf ging – toen hij besloot naast hindoe ook christen te worden en een jaar later ook nog moslim. Hoe dat kwam? En of het kon? Ik zal het u vertellen:

Laat ik beginnen met 

Pi, de hindoe

De kiem van geloven werd al vroeg in Pi gezaaid, dankzij de traditioneel gelovige zuster van zijn moeder, Tante Rohini. Kort na zijn geboorte en een zeven uur durende treinreis betrad hij in de armen van zijn moeder de hindoetempel in Madurai, waar Tante Rohini hem vol trots aan de Moedergodin toonde. Hij werd ondergedompeld in de zwoele, van wierook doordrongen, mysterieuze sfeer van de tempel. Een plaats waar Pi zich altijd thuis zou blijven voelen, vanwege “de bewerkte kegeltjes rond kumkumpoeder en de mandjes kokos, de rinkelende belletjes die je komst bij God aankondigen, (…) het geluid van blote voeten op de stenen vloeren van donkere gangen, waar hier en daar een bundel zonlicht doordringt, de geur van wierook, de vlammen van de aratilampen die ronddraaien in het donker, (…) de olifanten die op de zegen staan te wachten, de kleurige wandschilderingen die kleurrijke verhalen vertellen, de voorhoofden waarop in verschillende vormen hetzelfde woord te lezen staat – geloof.” Een op alle zinnen gerichte “sacrale kosmische moederschoot”, waarin rituelen geborgenheid bieden. 

Maar religie is voor Pi meer dan riten en rituelen alleen. Het is de plaats die je inneemt in het heelal. Pi gelooft in Brahman, de ‘wereldziel’, die zich in verschillende goddelijke manifestaties, zoals Shiva, Krishna, Shakti en Ganesha, aan het menselijk beperkte voorstellingsvermogen openbaart. Maar die wereldziel is net zo goed in mensen, dieren, bomen en een handvol aarde te vinden, want in alles is volgens het Hindoe-geloof een spoor van het goddelijke aanwezig. Je zou het een spirituele kracht in jezelf kunnen noemen, de ziel die ernaar streeft zich uit te drukken: het eindige binnen het oneindige, het oneindige binnen het eindige.

Pi de christen

Pi was een tevreden hindoe toen hij op veertienjarige leeftijd op vakantie Jezus Christus tegenkwam. Met zijn ouders was hij naar een theeplantage in de bergen gereisd en zag daar, in het dorpje Munnar, voor het eerst een christelijke kerk. Op een dag ging hij op onderzoek uit. Er hing een bordje op de deur van de pastorie waarop stond: “Pastoor” en “Kapelaan” en daarnaast was een bordje bevestigd met “AANWEZIG”. De deuren stonden uitnodigend open. Door het raam zag Pi een man zitten, die in een boek las, opkeek, nadacht, en weer verder las. Pi besloot de kerk binnen te gaan en zag een groot schilderij waarop de foltering van een man te zien was. En aan de onderkant van het schilderij stonden vrouwen en keken ernaar en kleine dikke kinderen met vleugeltjes zweefden boven het tafereel. En nog een gemartelde man hing in die kerk, aan een kruis vastgebonden, met opengeschaafde knieën. Afgrijselijk. Hadden ze hier dan geen God? Pi zocht, maar kon er geen vinden. De volgende dag kwam hij terug, gefascineerd door wat hij had gezien Hij maakte kennis met de pastoor, die Martin heette. Hij vertelde Pi het verhaal over Jezus Christus. Een vreemd verhaal, vond Pi, met een eigenaardige psychologie. Hij vroeg de pastoor hem een ander christelijk verhaal te vertellen, eentje waarin hij zich meer zou kunnen herkennen. Maar pastoor Martin beweerde dat het christendom eigenlijk alleen maar dit ene verhaal heeft en alle andere alleen een opmaat zijn daarnaar toe. Een God die dood ging, vreemd. Pi had nog nooit van een hindoegod gehoord die stierf of die zich liet vernederen. De christelijke God liet zijn avatar, doodgaan, die een deel van hemzelf was. Onvoorstelbaar. Geen machtige, stralende, sterke God, maar een looser. Waarom? “Uit liefde voor de mensen”, zei pastoor Martin. 

Pi ergerde zich aan dat irritante haastige christelijke geloof, waarin zelfs de wereld in het moordende tempo van zes dagen moest worden geschapen. En ook het gedrag van die Zoon zat hem dwars. Maar Hij liet hem niet meer los. En stilletjes aan merkte Pi dat hij Hem ook niet meer los wílde laten. Elke dag keerde hij terug naar pastoor Martin, luisterend naar alle verhalen die bij dat ene verhaal uitkwamen en de uitleg ervan. Aan het einde van zijn vakantie wist Pi het zeker: hij wilde christen worden. Hij rende naar pastoor Martin om hem van zijn besluit op de hoogte te stellen. Die gaf hem een drievoudig klopje op zijn hoofd en zei: “Dat ben je al Piscine – in je hart. Iedereen die Christus met een open hart ontmoet is een christen. En jij hebt hier in Munnar Christus ontmoet.” (Martel 2004: 66) Pi was dolgelukkig. Hij rende de kerk in, bad tot Jezus Christus en rende vervolgens naar de Hindoetempel om Krishna te bedanken dat hij Jezus van Nazareth, wiens menselijkheid hem zo had geraakt, op zijn pad had gebracht. En zo werd de hindoe Pi ook christen.

Pi de moslim

Nauwelijks een jaar later werd Pi naast hindoe en christen ook moslim. Vlak naast de dierentuin van zijn vader lag de moslimwijk, waar Pi tijdens zijn ontdekkingstochten kennis maakte met de plaatselijke bakker. Een aardige man die Pi naar binnen riep om hem uit te leggen hoe Turks brood gebakken wordt. Juist op dat moment klonk vanaf de minaret de oproep van de muezzin tot gebed. Tot verbazing van Pi zei de bakker: “één moment”, dook de achterkamer in, haalde een opgerold kleedje te voorschijn, legde het in het midden van de bakkerij en begon te bidden. Pi keek met verbazing naar het aan gymnastische oefeningen herinnerende ritueel dat de bakker voor zich uit mompelend vier keer herhaalde. Toen hij het geheel met een korte meditatie had afgesloten, deed hij zijn ogen weer open, glimlachte naar Pi, rolde zijn kleedje weer op, bracht het naar de achterkamer en vroeg: “Waar was ik gebleven?” Zo zag Pi voor het eerst in zijn leven een moslim bidden “snel, dringend, lichamelijk, mompelend, verrassend.” De volgende keer dat hij in de kerk zat te bidden – op zijn knieën, onbeweeglijk, zwijgend voor de gekruisigde Christus -, zag hij steeds weer dat beeld voor zich van dat gymnastische gesprek met God te midden van de meelzakken. 

Pi ging vaker terug naar de bakker om van hem te horen waar het in het geloof van de moslims eigenlijk om gaat en zo ervoer hij veel over “de beminde”. Meneer Kumar was soefi, een moslimmysticus, die de koran uit zijn hoofd kende en hem op een trage, eenvoudige manier zong. Samen baden en reciteerden ze de dhikr, de negenennegentig namen van God. Samen gingen ze naar de moskee en geleidelijk aan ontdekte Pi de schoonheid van deze “prachtige godsdienst van broederschap en toewijding”, de paradoxale mengeling van pulserende energie, diepe vrede en eenheid. Als Pi zijn voorhoofd naar de grond bracht, ervoer hij een diep religieus contact. Hij knielde als sterveling neer en stond onsterfelijk weer op. Alle elementen waren in harmonie met elkaar. Pi voelde de tegenwoordigheid van God.

Drie geloven op een kussen

En zo werd Pi praktiserend hindoe, christen én moslim. Veel gelovigen hadden er geen moeite mee dat Pi er verschillende geloofsovertuigingen op nahield. Zij namen er geen aanstoot aan, eerder vonden zij het amusant. Zo niet de geestelijke leiders. Toen zij erachter kwamen dat Pi zich niet met één maar met drie geloven tegelijk verbonden voelde, waren zij op zijn zachtst gezegd not amused:
"Wat doet uw zoon in de tempel?" vroeg de priester aan de vader van Pi.
"Uw zoon is in de kerk gezien, en hij sloeg een kruis," zei de imam.
"Uw zoon is moslim geworden," zei de pandit.
Vader Patel was rijk, modern en seculier en had niets met geloof. Verbouwereerd keek hij naar zijn zoon. Hij wist van niets. Ondertussen gingen de drie geestelijken met elkaar in de clinch. Een ieder wilde bewijzen dat “zijn” godsdienst toch uiteindelijk de enig ware was en de andere twee echt niet deugden. In de ogen van de Pandit was Pi een vrome hindoe, die regelmatig in de tempel aanwezig was. Volgens de priester kon dat niet waar zijn, want Pi was een trouwe kerkganger en goede christen, van wie hij hoopte dat hij binnenkort in het kerkkoor kwam zingen; en de imam beweerde bij hoog en bij laag dat Pi elke week bij het vrijdaggebed verscheen en zijn korankennis met sprongen vooruitging. Dus was Pi volgens hem een goede moslim, dus geen hindoe of christen. Een geestig tafereel. Aan het einde keek iedereen naar Pi die alleen maar kon stamelen: “Bapu Gandhi zei: ‘Alle religies zijn waar.’ Ik wil gewoon God liefhebben” - en met een rood hoofd keek hij naar de grond. Iedereen werd stil en tot Pi’s verbazing hoorde hij zijn vader zeggen: “Dat proberen we waarschijnlijk allemaal – God liefhebben.” Het had effect, de drie geestelijken dropen beleefd maar spijtig af en vader Patel haalde ijsjes. 

Een paar dagen na deze ontmoeting liet Pi zijn vader weten dat hij zich graag wilde laten dopen en ook graag een gebedskleedje wilde hebben. En zoals dat in het dagelijks leven van zo veel families gaat, zei zijn vader: “Vraag het aan je moeder”, en werd er later in bed een echtelijk gesprek onder vier ogen gevoerd over wat je toch met deze jongen aanmoest, die godsdiensten opdeed als een hond vlooien. Maar uiteindelijk kreeg Pi zijn gebedskleedje en werd hij gedoopt, want tenslotte - meende mevrouw Patel geruststellend - maken toch alle drie godsdiensten al lang deel uit van hun land en wie weet, misschien was Pi’s houding juist een nieuw teken van vooruitgang in het moderne India….

Multiple religious belonging

Dit verhaal van Pi is een mooi voorbeeld hoe je met een voor jou vreemde religie kunt omgaan: als een kind nieuwsgierig zijn hoe die religie in elkaar zit, vragen stellen, naar verhalen luisteren en je erover verwonderen wat er allemaal te horen, te zien en te beleven valt. Je laat je meenemen in een voor jou onbekende wereld. Je maakt kennis met hun ‘heilige’ teksten, gaat mee naar hun ‘heilige’ plaatsen - de kerk, de moskee, de tempel. Je leert er steeds meer over, waardoor ook je eigen vertrouwde geloof in een nieuw licht komt te staan. Mooie en minder mooie kanten worden zichtbaar. Je twijfelt, raakt misschien zelfs in een geloofscrisis. Toch blijken wijsheden en bepaalde rituelen uit die andere spirituele tradities van betekenis in je leven. Wat misschien eerst een kortstondige flirt met een ander geloof of andere levensbeschouwing leek, groeit uit tot een diepe existentiële verbondenheid die uiteindelijk tot datgene leidt wat in de theologie inmiddels wordt aangeduid met het begrip multiple religious belonging – meervoudige religieuze verbondenheid.

Azië

In Azië is Pi’s toebehoren tot verschillende religies geen rariteit. Binnen de
religiewetenschappen is dit al decennia een bekend verschijnsel, vooral omdat ook bekende Aziatische theologen te kennen hebben gegeven zelf ‘meervoudig religieus’ te zijn. Eén daarvan is Raimon Panikkar en zijn beroemde uitspraak: “Ik ben als christen (uit Europa MK) vertrokken, heb me als hindoe gevonden en kom terug als boeddhist, zonder te zijn opgehouden christen te zijn.” 

Maar een meervoudige religieuze identiteit is niet alleen iets voor de ‘happy few’. Sterker nog, de uit Vietnam afkomstige gerenommeerde theoloog Peter C. Phan, werkzaam aan de katholieke universiteit van Georgetown in de Verenigde Staten, meent dat in verschillende Aziatische landen, zoals China, Japan, Korea, Vietnam, India, Nepal en Sri Lanka het toebehoren tot verschillende religies met name onder het gewone volk een heel gewoon verschijnsel is. De verschillende religies vervullen specifieke functies in het leven van mensen. Het is alom bekend, dat als je een Japanner op een formulier de vraag laat beantwoorden tot welke religie hij of zij behoort, minimaal 85% van de bevolking twee kruisen zal zetten, namelijk bij shinto en bij boeddhisme. Simpel gezegd hebben deze twee religies een soort werkverdeling. Terwijl het shintoïsme zich op het leven in het hier en nu van mensen richt, treedt het boeddhisme vooral in werking als er vragen over de dood en het hiernamaals rijzen. Het heeft zich gespecialiseerd in begrafenisrituelen. 

Ook de aan de universiteit van Glasgow werkzame katholieke theoloog en religiewetenschapper Perry Schmidt-Leukel wijst erop dat het in de Chinese cultuur inmiddels een gewaardeerde traditie is confuciaan, taoïst en boeddhist tegelijk te zijn. Ook daar zie je een duidelijke onderlinge rolverdeling: Confucius is de meester van de moraal, Laotse de meester van de levenskunst en Boeddha wordt als meester van het sterven beschouwd. 

De Koreaanse theologe Chung Hyun Kyung beschrijft deze verstrengeling van verschillende religieuze leefwerelden als ‘messy’, een wanordelijk/ongeregeld, en vloeiend proces over de grenzen van religies heen. In haar ogen zijn de verschillende religies geen vast omlijnde entiteiten, die in duidelijke categorieën in te delen zijn met het label: boeddhisme, christendom, sjamanisme, confucianisme. Dat gebeurt volgens haar alleen in de academische setting. In het alledaagse leven vloeien de religies in Azië in elkaar over in een soort “synergetische dans” om bevrijding, overleven en heel worden. God is dan ook niet te vinden in theologische systemen die als een soort monade, een afgesloten eenheid, naast andere staan, maar temidden van de wanordelijke soms chaotisch lijkende realiteit van het leven zelf, meent Chung. 
Misschien herinneren sommige van u zich nog haar optreden tijdens de Assemblee van de Wereldraad van Kerken in 1991 in Canberra. Daar hield zij de toespraak: Kom heilige geest, vernieuw onze schepping. Of beter gezegd, zij gaf een performance: Zij vroeg haar publiek leeg te worden om de weg van de Heilige Geest te bereiden en als een teken van eerbied en deemoed de schoenen uit te doen. Daarna nodigde ze iedereen uit om naar het schreeuwen van de schepping te luisteren en naar het roepen van de geest in het geheel van die schepping.

Zij riep de geest Gods aan zoals die zich in de bijbel vanaf de schepping tot aan de opstanding van Jezus in verschillende gedaantes manifesteert, maar zij riep hem ook aan in de context van Azië. Chung legde uit dat men in Korea gelooft, dat mensen die een onrechtvaardige dood zijn gestorven han-geesten worden. Het is de verantwoordelijkheid van de levenden, naar deze han-geesten te luisteren en het onrecht dat deze mensen werd aangedaan te herstellen. De han-geesten zijn volgens haar de iconen van de heilige geest; zij laten de stem van de heilige geest klinken in de wijsheid van het leven. Dit was het begin van Chungs theologische carrière: op stel en sprong was zij beroemd en berucht. De vertegenwoordigers van de kerkelijke orthodoxie in Canberra tekenden direct protest aan. Maar niet alleen de orthodoxen waren verontwaardigd. Ook de liberalere theologische elite was het erover eens: dit kon niet, dit was syncretisme, een ongeoorloofde vermenging van religies. 

Chung heeft zich nooit tegen de aanklacht van syncretisme verzet. Integendeel. In haar theologie pleit zij voor een op bevrijding en op het leven gericht syncretisme. Haar theologie vertrekt bij de dagelijkse ervaring van Aziatische vrouwen, waar dat wat wij in het westen ‘syncretisme’ noemen, volgens haar een heel normale manier van geloven is. Dat geldt ook voor Chung zelf. Zij schrijft: “Mijn ingewanden zijn sjamanistisch, mijn hart is boeddhistisch, de rechterkant van mijn hersenen is confucianistisch en de linkerkant is christelijk.”

Europa

Dat is Azië, denkt u misschien, interessant, maar wat hebben wij in Europa daar nou mee te maken? Wij leven in een volstrekt andere cultuur. Het christendom heeft onze cultuur voornamelijk gevormd en niet het boeddhisme of han-geesten. Dat klopt. Maar de
Europese cultuur is door de toenemende globalisering en de daarmee samenhangende migratie aan ingrijpende veranderingen onderhevig.
De ander, de Aziaat, Afrikaan, Mexicaan en Irakees woont inmiddels niet meer in een ver land, maar is onze buurman of buurvrouw geworden en zelfs de Argentijnse Tango is via ‘ons’ Koningshuis de kerk binnengedrongen. 

‘Ons’ koningshuis - ik mag dat nu zeggen want ik heb helemaal vol overtuiging officieel voor de ‘Nederlandse ídentiteit’ gekozen en nu denk ik – mijn God, – ik heb ook altijd het verkeerde paspoort. Toen ik nog Duitse was, schaamde ik mij plaatsvervangend voor wat ‘mijn volk’ in het verleden de ‘ander’ had aangedaan - en nu kijk ik met vrees en schaamte naar Nederlandse politici en andere landgenoten die onder het mom van ‘trots op Nederland’ dé ‘Nederlandse identiteit’ aan de haren uit de polder proberen te trekken, onder de klanken van het nieuwe volkslied van Frans Bauer, waarop 27.9 % van de stemmen zijn uitgebracht. De columnist Rob Schouten ging de volgende dag in Trouw het nieuwe volkslied maar meteen slachten, zoals hij dat noemde, nu het nog kon, want - zo vreesde hij: straks neuriën we het per ongeluk al voor ons uit en dan zijn we nog verder van huis. 

Laat ik het zo zeggen: Ik begrijp de onrust en de onzekerheid van mensen, maar ik vind de richting waarin men de oplossing zoekt uiterst problematisch. Feit is dat het culturele en religieuze landschap van Nederland in een razend tempo verandert - en dat is voor velen een angstig en onoverzichtelijk verschijnsel. In een rapport uit 2004, opgesteld door het United Nations Development Programme van de Verenigde Naties, wordt de migratiegolf die in de laatste decennia van de twintigste eeuw heeft plaatsgevonden een van de grootste uit de geschiedenis van de mensheid genoemd.Tussen 1980 en 2000 steeg het aantal immigranten dat uit Azië, Afrika en de Amerikaanse continenten naar de Europese Unie kwam met 75 procent. In Noord-Amerika groeide in die tijd het aantal buitenlanders van 14 naar 36 miljoen. Dat is een stijging van 145 procent. En deze migratiegolf ging gepaard met revolutionaire veranderingen in de technologische sector. Overal ter wereld zijn migranten vandaag de dag in staat om dubbele of meervoudige identiteiten te ontwikkelen. Zij bouwen een nieuwe identiteit op in hun thuisland en houden tegelijk met behulp van de nieuwste technologische communicatiekanalen en transportmogelijkheden vast aan de identiteit van hun land van herkomst. In het rapport wordt landen die immigranten opnemen geadviseerd op basis van deze ontwikkeling geen assimilatie van hen te verwachten. In plaats daarvan moeten zij zich volgens hun advies open stellen voor deze nieuwe meervoudige identiteitsvorming en politieke maatregelen nemen, zoals bijvoorbeeld het toestaan van twee paspoorten. Meervoudige identiteiten zijn, zo valt in het rapport te lezen, een feit in een dynamisch geworden wereld. Wie meent dat deze ontwikkelingen van voorbijgaande aard zijn of dat zij te stoppen zijn, vergist zich. Zij zijn inherent aan de globalisering die eerder nog zal toenemen dan afnemen. Het ‘omarmen van diversiteit’ is dan ook volgens het rapport de enige duurzame weg naar stabiliteit, vrede en democratie.
Ook de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), is in zijn rapport ‘Identificatie met Nederland’ deze mening toegedaan. Meervoudige identiteiten en dubbele nationaliteiten zijn een feit in de 21ste eeuw. De raad wil af van de discussie omtrent de ‘Nederlandse identiteit’ van de laatste jaren die een veel te statisch en vastomlijnd beeld van de Nederlandse identiteit heeft opgeroepen. Daardoor kwamen de autochtone en allochtone bevolking van Nederland steeds meer tegenover elkaar te staan, wat het vreedzame samenleven niet heeft bevorderd. De Raad wil de wij/zij cultuur achter zich laten en vervangen door een en/en denken. 

Veel autochtone Nederlanders moeten aan deze geluiden nog duidelijk wennen en zo kreeg prinses Maxima, zelf ervaringsdeskundige inzake integratie, de wind van voren, toen zij in de lijn van het rapport eveneens onderstreepte dat ‘dé’ Nederlandse identiteit niet bestaat, net zo min als ‘dé’ Argentijnse, ‘dé’ Duitse of welke dan ook. En uiteraard heeft zij gelijk: Er bestaan geen vastomlijnde statische identiteiten, noch in persoonlijk, noch in nationaal, noch in religieus opzicht. Zij zijn meervoudig en veranderlijk, afhankelijk van veel verschillende factoren die je leven bepalen, als gender, ras, nationaliteit, economische positie, etniciteit, seksuele voorkeur, religie, leeftijd, en ga zo maar door. Identiteit kent vele facetten, afhankelijk van de context, waarin je je bevindt. De journaliste Seada Nourhassen heeft hierover onlangs een prachtig artikel in Trouw geschreven (31-10-07). Prinses Maxima meent dat “verscheidenheid en vermenging ons kracht geven”, en ik ben het met haar eens, zonder daarmee overigens te willen ontkennen dat verschillen vruchtbaar maken en interculturele en interreligieuze verbindingen aangaan, geen gemakkelijke klus is. Maar het wel of niet slagen van die klus zal de toekomst van Nederland bepalen. In die zin, maak ik me net als de hoofdredacteur van VolZin, begreep ik uit zijn commentaar van 5 oktober, geen zorgen over de toekomstige koningin der Nederlanden, die in een multiculturele natie met deze visie haar samenbindende rol ten aanzien van alle burgers, ongeacht de hoeveelheid paspoorten, uitstekend zal vervullen. Meer zorgen maak ik mij over Nederlandse politici en opiniemakers, die stukjes uit haar toespraak halen en bewust voor publicitaire of politieke doeleinden misbruiken om een nationaal sentiment – ik zeg nog net niet nationalistisch - aan te wakkeren dat ik in de huidige gespannen situatie onverantwoord vind. ‘We mogen blij zijn dat het nu in economisch opzicht goed gaat’, hoorde ik laatst de meest invloedrijke man van Nederland Alexander Rinnooy Kan zeggen en zo’n uitspraak spreekt boekdelen. 

Tot mijn verrassing deed ook Paul Scheffer mee aan deze stemmingmakerij tegen de uitspraak van Maxima, alhoewel hij in zijn nieuwste boek Het land van aankomstjuist de rol van de bemiddelaar tussen immigrant en autochtone Nederlander kiest. Met zijn artikel Het multiculturele drama gaf hij in 2000 de aftrap voor het integratiedebat dat in de afgelopen jaren vriend en vijand in binnen- en buitenland vol ongeloof naar Nederland liet kijken. Een land dat bekend stond om zijn tolerante en kosmospolitische houding veranderde in een mum van tijd in een naar binnengekeerd volkje, met een van de strengste asielprocedures van Europa en oplaaiend nationalisme. Nu – zeven jaar later en veel confronterende gesprekken rijker, meent hij dat wie aan migranten vraagt kritisch naar hun tradities te kijken, ook zelf bereid moet zijn om eigen vanzelfsprekendheden tegen het licht houden… ‘Het is tijd voor groot onderhoud’, schrijft hij, ‘en het betekent in ons geval een grondige verbouwing. We moeten de afstand die ons scheidt van onze idealen in alle scherpte aanschouwen. Een open samenleving leeft namelijk van zelfkritiek. We moeten willen worden wat we zeggen te zijn.’ (p.48) Scheffer wil op zoek naar een nieuw 'wij' en daar ben ik het van harte mee eens. Alleen valt het niet mee om, ik zeg het maar in mijn eigen woorden: in veelvoud te leren denken. Want daar komt het op neer: niet langer in onze samenleving het cultuurconcept van de moderniteit uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw te volgen, waarin de eigenheid en eenheid van volkeren werd benadrukt, maar culturele en religieuze verschillen vruchtbaar maken voor onze samenleving, om zo 'het goede leven voor allen' vorm te kunnen geven. 

Niet alleen voor de politiek, ook voor de kerken ligt in het serieus nemen van verscheidenheid een nieuwe uitdaging – zowel in relatie tot mensen uit een niet-christelijke geloofstraditie als ook in relatie tot nieuwe vormen van geloven zoals ietsisme, soloreligiositeit en alle New Age gerelateerde vormen van religiositeit. Want ook in religieus opzicht zijn we in Europa gewend in ‘één’ te denken, zoals het syncretismeverwijt in het eerder genoemde voorbeeld duidelijk maakte. Ook hierin brengt de komst van mensen met een andere religieuze achtergrond en de individualisering in Nederland verandering.
Hoe staat het met de religieuze identiteit van Nederland. Heet onze Pi hier misschien Bram of Janneke? Of is religieuze meertaligheid hier een ongekend fenomeen? Nemen we een kijk:

Secularisatie en sacralisatie

Tot voor kort ging men er in Nederland en ook in andere landen op het Noordelijk halfrond nog van uit dat met de voortschrijdende wetenschappelijke en technologische vooruitgang religie meer en meer zou verdwijnen. In 1968 schreef de internationaal gewaardeerde godsdienstsocioloog en theoloog Peter Berger in de New York Times: “In de 21ste eeuw zullen gelovigen waarschijnlijk alleen nog maar als kleine sekten te vinden zijn, dicht tegen elkaar aangekropen, om de inmiddels wereldwijd aanwezige geseculariseerde cultuur te weerstaan.” Niets blijkt minder waar. Nederland en een aantal andere landen in Europa zijn eilandjes omringd door een oceaan van religie. Koploper is het christendom met boven de 2 miljard aanhangers, gevolgd door de islam, circa 1,3 miljard en het hindoeïsme met 800 miljoen. En in de voorspellingen blijft religie booming business. World Christian Trends verwacht in 2050 ruim 3 miljard christenen, ongeveer 2,2 miljard moslims en circa 1,1 miljard hindoes, 425 miljoen boeddhisten en 16,5 miljoen joden. Peter Berger heeft zijn voorspelling inmiddels een grote vergissing genoemd en spreekt nu liever van de “desecularisering van de wereld”. 

Ook in Nederland is religie terug van weggeweest, alleen de kerken blijven leeglopen. En volgens het onderzoek De God van Nederland, dat in het voorjaar van 2007 werd gepubliceerd, houdt deze trend aan. 60% van de Nederlanders noemt zich gelovig, maar slechts vier van de tien doelt daarmee op het traditionele geloof. Wel moet elk dorp en elke stad een kerk hebben als het aan de ondervraagden ligt - een soort visuele christelijke identiteit, want zelf een voet in de kerk zetten zit er niet meer echt in. Hooguit als het om de scharniermomenten in het leven gaat, zoals bij geboorte, huwelijk en dood. Ook al zijn de kerken leeg, ze moeten wel behouden blijven volgens 78% van de geïnterviewden, desnoods met financiële steun van de overheid. Waarom eigenlijk? Nostalgie? Of zou men bang zijn dat binnenkort de minaretten het beeld van Nederland bepalen? Ook in religieus opzicht leeft de angst voor 'de' islam en net als in de politiek vertonen de christelijke kerken een defensieve reactie. Ook zij trekken zich terug op eigen erf. Wat is onze christelijke identiteit?, vraagt men zich bezorgd af. Alles lijkt verwaterd door de secularisatie en het individualisme. Wat een aantal jaren geleden nog als een verworvenheid werd gezien, namelijk de ramen openzetten naar de moderne wereld en het bevorderen van de oecumene, zoals tijdens Vaticanum II, wordt nu als een verlies aan geloofszekerheid beschouwd. Hoe groter de onzekerheid, hoe meer men op zoek gaat naar het reine geloof, naar de katholieke en protestantse identiteit – naar de eigen zuil. Emancipatoire verworvenheden, vooral ook wat de positie van vrouwen betreft, worden vooral in de rooms-katholieke kerk in een mum van tijd teruggedraaid – zonder veel protest trouwens. Op zoek naar houvast grijpt men terug naar het verleden, stelt men opnieuw een canon van de vaderlandse geschiedenis en het christelijke geloof samen, zonder te beseffen dat dit verleden al lang niet meer de basis voor een toekomstig multicultureel en multireligieus Nederland kan zijn - want daarvoor is Nederland nu al, zoals prinses Maxima zo mooi zei: “veel te veelzijdig en niet in een cliché te vangen.” Dat is een compliment, dames en heren, en geen belediging.
Net zo min als er een statische Nederlandse identiteit bestaat, bestaat er ‘dé’ christelijke identiteit. Van begin af aan was het christelijk geloof een mengsel uit en beïnvloed door andere religies - joden, heidenen, godinnenreligies. En dat is nog steeds zo. Je identiteit wordt mede door diegenen bepaald met wie je omgaat en hoe meer wij in aanraking komen met mensen uit andere religies, hoe meer geloofsvermenging er zal ontstaan. 
Misschien zijn er al veel meer Pi’s in Nederland dan wij denken. Mensen die zich met meerdere religieuze tradities verbonden weten, die zich laten inspireren door het verhaal van Jezus Christus, maar ook door hindoeïstische meditaties, boeddhistische of soefi-wijsheden. Mensen die in religieus opzicht al lang ‘en/en-denken’ en niet meer ‘of/of’. Het zal wel moeten, want waar komen anders in het onderzoek De God van Nederland al die zogenoemde “postmoderne spirituelen” vandaan, die van mening zijn dat men “religie in de wijsheid van verschillende tradities moet zoeken.” 75% van de Nederlanders is ervan overtuigd dat dit de weg zal zijn die religies zullen gaan. 

Aan het einde van deze studie constateren de onderzoekers enigszins hulpeloos dat de Nederlanders in religieus opzicht “onoverzichtelijk” zijn geworden Je zou ook kunnen zeggen, ze zijn niet meer in te passen in de categorieën van het traditionele geloof. Het sluit niet meer aan bij hun dagelijks leven. Zij ontwikkelen steeds meer een individueel geloof, samengesteld uit verschillende religieuze en levensbeschouwelijke tradities. En dat is niet alleen een Nederlands fenomeen. Steeds meer mensen keren zich in West-Europa af van de kerken als instituut, maar blijven wel op zoek naar nieuwe vormen van spiritualiteit, naar datgene wat zin en richting aan hun leven kan geven. En zo constateren de sociologen Paul Heelas en Linda Woodhead dat in het laatmoderne Europa secularisatie en sacralisatie hand in hand gaan. En niet alleen de secularisatie, maar ook de sacralisatie is daarbij gekleurd door dat wat de Canadese filosoof Charles Taylor the massive subjective turn of modern cultureheeft genoemd. Het individu zelf is de laatste autoriteit geworden als het om de beoordeling gaat wat wel en niet religieus te verantwoorden is. 
Wordt het niet tijd dat de kerken dit gegeven serieuzer nemen? Zouden zij zich niet de vraag moeten stellen, welke rol zij kunnen vervullen ten aanzien van al die mensen die op zoek zijn naar spiritualiteit en nieuwe vormen van geloven? Immers, 38% van de gelovigen noemt zich ietsist.

Reisgidsen

De al eerder genoemde theoloog en religiewetenschapper Perry Schmidt-Leukel, die overigens ook zelf christen en boeddhist is, ziet de verschillende religies als “reisgidsen” die de individuele mens op zijn of haar specifieke levensweg begeleiden en het mogelijk maken zijn of haar roeping als mens te verwezenlijken. Dit beeld van religies als reisgidsen sluit nauw aan bij wat Timothy Radcliffe, dominicaan en oud-magister van zijn orde, voor ogen heeft als hij over de functie van het christelijk geloof in Europa schrijft. Volgens hem staat Europa vandaag op een kruispunt: zullen de verschillende religies in staat zijn vreedzaam met elkaar samen te leven of zullen zij verdeeldheid zaaien en Europa verscheuren? Veel hangt volgens hem ervan af of de mensen in Europa bereid zijn te accepteren, dat het van origine christelijke Europa een thuishaven wordt voor alle religies. Dit kan volgens hem alleen lukken als het christendom bereid is de rol op zich te nemen mensen op hun zoektocht naar het goede, ware en schone te begeleiden. ‘Begeleiden’ betekent volgens hem niet in eerste instantie het opstellen van regels, waaraan de ander zich moet houden, maar veeleer het aanbieden en bemiddelen van christelijke waarden als levensmiddelen voor onderweg. In dat kader noemt hij, in de lijn van Thomas van Aquino, de vier kardinale deugden – moed, wijsheid, matigheid en gerechtigheid – en voegt er de drie theologale deugden aan toe – geloof, hoop en liefde. Een Tom Tom voor het morele handelen, ingrediënten voor een gezamenlijke ethiek als bijdrage van het christendom aan de pelgrims in Europa. Radcliffe roept kerk en theologie op begeleiders van deze pelgrims te zijn en hen daar op te halen waar zij vandaag de dag staan, ongeacht of deze standplaats wel of niet overeenkomt met de normen van de kerk. 

Radcliffe gaat uit van een gezamenlijke zoektocht naar waarheid en van de overtuiging dat waarheid ook in andere religies te vinden is. Veel te vaak strijden religies naar zijn smaak om het voorrecht van de eigen geloofswaarheid, wat intolerantie, indoctrinatie en gewelddadige conflicten tot gevolg heeft. In plaats daarvan wil hij het stellen van vragen bevorderen, zonder de antwoorden al bij voorbaat te weten. In plaats van anderen te beleren wil hij juist van hen leren. De christelijke kerk dient de moed te hebben haar overtuigingen naar voren te brengen. Tevens moet zij erkennen dat ook zij uiteindelijk niet met zekerheid kan zeggen wie of wat God is. Zij moet zich oefenen in bescheidenheid en de bereidheid tonen met andere religies samen op pelgrimage gaan, op zoek naar waarheid. 

Religieuze tradities worden zo tot het open erfgoed van veelvoudige betekenissen en waarden, waaruit het individu in alle vrijheid mag kiezen om het eigen leven inhoud, vorm en richting te geven - desnoods als christen, hindoe en moslim tegelijk.

Religieuze flexibiliteit

En daarmee zijn we weer terug bij het geloofsverhaal van Pi. Terwijl de moderne geseculariseerde vader zich zorgen maakt over Pi’s geloofsijver – geloof is in zijn ogen immers ‘achterlijk’ - meent zijn moeder geruststellend dat Pi misschien met zijn meervoudige manier van geloven juist de toekomst van het moderne India zou kunnen belichamen. Een nieuwe kans om moderniteit en spiritualiteit met elkaar te verbinden?
Ik zou deze vraag ook voor Europa positief willen beantwoorden. Als Europa – en Europa staat hier voor alle landen die bij Europa horen, ook Nederland dus - niet door diversiteit verscheurd wil worden, heeft het een flexibele identiteit nodig. Een identiteit die vloeiend is en niet langer bepaald wordt door afgrenzing ten opzichte van die ander, maar door de relatie tot hem of haar. Een identiteit die zich in vrijheid laat verrijken door diversiteit en niet bij voorbaat door angst voor de ander bevangen raakt en zich terugtrekt op eigen erf. 
De toekomst van Europa en van het Europese christendom staat en valt naar mijn idee met het antwoord op de vraag of de verantwoordelijken in politiek en kerk de moed hebben in cultureel en religieus opzicht flexibel te worden. Niet langer moeten zij de bewakers willen zijn van een eenheid die al lang verleden tijd is. Als voortrekkers dienen zij diversiteit als nieuw paradigma voor het Europa en het christendom van de 21ste eeuw te doordenken en te leven. Crossing over (oversteken) wordt dan het motto dat om een ingrijpend andere manier van denken en handelen vraagt: en/en in plaats van of/of. Afscheid nemen van westerse dualistische denkpatronen en van de privileges die daarmee samen gaan, zal niet makkelijk zijn – want wie geeft graag de macht op die hij heeft? 
Is deze roep om culturele en religieuze flexibiliteit een pleidooi voor relativisme? Geenszins. Waarvoor ik pleit is recht te doen aan menselijkheid in zijn diepste laag, door de angst voor de ander en diens traditie te verminderen vanuit het besef dat verschillende religieuze tradities de rijkdom van het goddelijke én het menselijke geschakeerder voor het voetlicht kunnen brengen dan één religieuze overtuiging alleen. Het streven naar ware menselijkheid betekent de vele verhalen over God en de wereld toe te laten en vervolgens met elkaar in debat te gaan over de vraag wat ware menselijkheid wel en niet ten goede komt. Het veronderstelt veelvoud te omarmen, verschillen niet langer hiërarchisch en identiteit niet meer statisch te denken. Juist aan deze culturele en religieuze flexibiliteit zouden Europa en het westerse christendom hun sterkte moeten ontlenen. Immers - het is deze flexibiliteit die Pi in zijn gevecht om te overleven tijdens die 227 dagen op de Grote Oceaan heeft laten winnen. Steeds weer zocht hij naar nieuwe oplossingen en zijn drie geloven hebben hem daarbij spiritueel geholpen.
Hoe dat precies in zijn werk is gegaan moet u zelf maar lezen.
primi sui motori con e-max

Contact

DSTS / Project W!J
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam

Secretariaat:
mw Heleen Ransijn:

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
+31 (0)20-6235 721